Het geheim van de vervaardiging van papier werd rond 105 onze tijdsrekening van China naar Japan overgebracht, waardoor Japanners in staat waren al vroeg papier te gebruiken. In de moderne tijd kon men door verbetering in de methode een dikker soort papier produceren. Deze binnenlandse producten legden de basis voor de productie van uitstekende houtsneden.
Techniek van de ukiyo-e. 1
Het drukken met kleuren, een meer ingewikkelde techniek, kent al een langere geschiedenis dan algemeen wordt aangenomen. Er zijn verschillende voorbeelden van kleurdruk in één of andere vorm die al verder terug gaan. Men heeft enkele laat 11de en 12de eeuwse rollen teruggevonden die houtgravures bevatten in groen, blauw en bruin. Daarvoor maakte men enkel prenten in één kleur, sumizuri-e.
De prenten worden verkregen door middel van een drukprocédé met houtsneden, waarbij diverse houtblokken worden gebruikt die corresponderen met het aantal kleuren die vereist worden voor de te reproduceren tekening. Voor elk gekleurd deel dat moet worden afgedrukt wordt immers een apart houtblok gebruikt. Alle delen die blank moeten blijven, worden weggehakt uit de oppervlakte van het houtblok. Het gedeelte dat moet worden afgedrukt, de tekening zelf dus, blijft daar bovenop liggen.
Een tekening die op voorhand op voldoende doorzichtbaar papier is vervaardigd, wordt omgekeerd op het houtblok gelijmd. De tekening wordt dan met behulp van gutsen en dergelijke in het hout uitgesneden. Afhankelijk van de kleuren die worden gebruikt, worden er meer vellen papier geprepareerd met een gelijk aantal uitgesneden houtblokken. De combinatie van elk afzonderlijk drukproces leidt tot het eindresultaat wanneer de volledige prent met alle kleuren is bedrukt. Dit resultaat is de vrucht van diverse gespecialiseerde schets-, snij- en drukmethoden.
* Het uitsnijden van de tekening in het houtblok.
Het blad met de schets werd omgekeerd vastgemaakt aan het blok door middel van rijststijfsel. Na het drogen werd de bovenste laag van het papier eraf gewreven Daarna werd het restant ingewreven met hennepolie om hem transparant te maken zodat de graveur de letters of de tekening beter kon zien. De figuren werden zelf niet in het blok uitgesneden, wel werd het omringende hout aan de contouren van de karakters weggesneden, zodat ze naar voor kwamen in spiegelbeeld.Het hout werd volgens kopshout gesneden. Voor het drukken van deze prenten was er een zachte houtsoort nodig, vb. kersenhout, dat volkomen droog is en zorgvuldig met de nerf is meegeschaafd. De gebruikte werktuigen varieerden in grootte naargelang de ingewikkeldheid van bepaalde fasen in het snijproces. Wanneer het snijden was beëindigd, werd het blok gereinigd met een borstel en vervolgens gewassen in water om alle resten van papier te verwijderen. Op dat ogenblik is het blok klaar voor gebruik. De techniek van het maken en gebruiken van houten blokken veranderde niet gedurende 1200 jaar.
* Het drukken van de prent.
Technisch gezien was het drukken in kleuren veel ingewikkelder dan het drukken met enkel zwarte inkt. Voor elke kleur moest immers een ander blok uitgegraveerd worden. Het grootste probleem was dat alle kleuren perfect in en tegen elkaar moesten passen. Daarom werden er in het begin slechts twee of drie kleuren gebruikt.
Er werd een systeem ontwikkeld, beter gekend als de "kento" techniek die dit probleem overzag.
Dit was een rechthoekige rand in één lagere hoek van het kleurenblok. Door het papier in één lijn te leggen met de kento bekwam men een goed passend geheel.
Eens het blok droog was, na het verwijderen van de resten papier, werd de ”sumi” (inkt) met een borstel van paardenhaar op het blok gestreken. Vervolgens werd het papier, dat enkele keren daarvoor bevochtigd werd, op het blok gelegd. Daarop werden vier natte doeken van katoen gelegd, zodat het papier mooi op zijn plaats zou blijven liggen. Het beeld werd bekomen door over het papier te wrijven met een “baren”. Dit vormt een soort kussentje dat gemaakt is uit een spiraalvormig geplaatst touw in een steun van gelakt papier, waarover een soepel gemaakt bamboeblad gemonteerd wordt. Voor het gebruik werd deze baren met Camelia olie ingesmeerd voor een meer soepele beweging.
* De werktuigen van de graveur
Voor het graveren zijn kwaliteitsmessen en -beitels nodig Volgende werktuigen zijn nodig:
- Borstel: voor het verwijderen van schilfers die loskomen bij het snijden van het hout.
- Graveermes: voor het uitsnijden van de tekening. De Japanse houtsnijders gebruikten slechts één mes (21,5 cm lang) van hetzelfde model Met dit ene mes voeren ze elk houtsnijwerk uit; van het meest grove tot het meest fijne. De uitvoering daarbij is volledig afhankelijk van de vakkundigheid van de graveur.
- Zes beitels voor het verwijderen van kleine oppervlaktes. Ze worden op dezelfde manier gebruikt als het graveermes.
- Twee beitels: voor het corrigeren van delen die vervangen moeten worden.
- Zaag: om kleine stukjes hout te zagen die in de plank worden gezet waar correcties nodig zijn.
- Vier beitels: om grotere stukken hout te verwijderen.
- Twee houten hamers: om de vier beitels te hanteren.
- Twee halfronde beitels: gebruikt voor hetzelfde doel als de vier beitels.
- Speciale slijpsteen: voor het slijpen van het graveermes en de beitels.
- Slijpsteen: om de iets wat ruwe randen die overblijven na het slijpen met de speciale slijpsteen weg te werken.
- Oliepot: waarin olie bewaard wordt. De olie wordt gebruikt om de te snijden delen van het hout in te wrijven zodat het hout zachter wordt en men gemakkelijker en zuiverder kan werken.
- Olieborstel: voor het uitsmeren van de olie.
* Gebruikte pigmenten
De pigmenten die gebruikt werden voor het maken van Ukiyo-e prenten waren over het algemeen dezelfde organische en anorganische componenten (op waterbasis) die gebruikt werden door de Japanse schilders uit die tijd. De pigmenten werden bewerkt in aparte porseleinen kommetjes tot ze hun juiste consistentie hadden bereikt. Het aanmaken van de pigmenten was een proces waar jaren op gestudeerd moest worden.
De organische pigmenten waren extreem gevoelig voor licht en vele van deze kleuren hebben hun originele intensiteit verloren. Het gaat hier vooral om rode, roze en gele tinten.
De meest gebruikte organische pigmenten waren de volgende:
- Sumi: carbonzwarte inkt. Het werd gewoonlijk gemaakt van roet en dierlijke lijm (hertengewei). Van beide componenten maakte men een vast staafje, wat vloeibaar gemaakt kon worden met water op een inktsteen. Naargelang de verdunning kon men een hele variëteit aan tonen bekomen: van zeer zwart tot licht grijs.
- Beni: het is een roze-rode inkt, gemaakt van saffloer.
- Ai: indigo blauw.
- Tsuyugusa een blauw pigment. De kleur was nog gevoeliger aan licht dan indigo. Er zijn dan ook maar enkele prenten bewaard gebleven met een intacte tsuyugusa kleur.
- Ukon: een geel pigment, gemaakt van de wortels van de kurkumaplant.
- Kusashioo: geel gamboge Verdere schakeringen in geel en bruin werden verkregen door toevoeging van bloemen of boomschors.
- Tan: een oranje-rood pigment, gemaakt van lood, zwavel en salpeter.
- Shu: vermiljoen rood.
- Benigara: een ferro-oxide aardpigment.
- Shioo: een helder geel, toxisch component van zwavel en arseen.
- Empaku: wit loodcarbonaat.
Een van de meest voorkomende schadevormen bij Japanse prenten is vervuiling en vergeling van het papier door blootstelling aan de verschillende omgevingsfactoren. De kleurpigmenten vervagen zelden, maar kunnen zeer watergevoelig zijn.
Waardoor vochtige behandeling veel risico’s inhoudt en waar dus dikwijls wordt van afgezien. Soms werden de prenten reeds ingenaaid in boekvorm en vertonen ze naaigaten aan de zijkant. De prent kan worden droog gereinigd en lacunes en scheuren worden hersteld met dun gebufferd Japans papier en tarwezetmeellijm.